Hoofdcategorieën
Home » Tokio Hotel » Stuck in Heaven » 7.
Stuck in Heaven
7.
Bill
Het gaat haast automatisch, lopen. Weer zet ik mijn ene voet voor de andere, zonder ergens aan te denken, zonder iets te voelen, zonder iets te hopen. Ik vind haar toch wel, ze kan moeilijk ergens heel ver weg zijn. Dus - dus als ik gewoon maar loop kom ik er wel. Ja. Als ik gewoon maar loop. Ik loop al lang. Geen idee hóe lang - ik heb niets meegenomen - maar het is niet kort meer, dat is zeker. En hoe laat zou het zijn? Het is al donker. Al een tijdje. Een knipperende neonverlichting naast me doet me opschrikken uit mijn nergens over gaande gedachten. Ik kijk op. Het is een klein winkeltje, en kennelijk is iemand vergeten het licht uit te doen, want een niet te missen bordje voor de deur zegt me dat het gesloten is. Een halve paspop staat achter het slecht dichtgespijkerde raam. Er komt vast al lang niemand meer. Zonde voor hun elektriciteitsrekening. Hmm. Ik sta stil. Ik mag niet stil staan, ik moet lopen. Ik moet weer door gaan lopen. Ja. Dat zou ik wel moeten doen, eigenlijk. Maar ik ben zo moe. Zo ontzettend moe. Zo moe.
Het is stil. Alle klaslokalen zijn leeg, op één na. Een jongen - een jaar of tien, zwart haar en een iets te groot legergroen T-shirt zonder mouwen - zit in zijn eentje op de achterste tafel van het scheikundelokaal. Hij wacht op iemand. Iemand die hem een missie moet geven. Zachtjes roffelt hij met zijn vingers over de tafel. Naast hem ligt een briefje, maar hij mag het niet lezen. Geen idee waarom, het mag gewoon niet. Hij staat op, wrijft in zijn handen en loopt naar het raam. Het sneeuwt buiten, maar het is zomer - duidelijk te zien aan de vrouw in een op de stoep gezette leunstoel ligt met alleen haar bikini aan en een zonnebril op. Naast haar ligt haar kat, opgekrult tegen haar zij aan. De jongen glimlacht en maakt een onwillekeurig 'aahw'-geluidje als de vrouw afwezig haar huisdier aait, niet opkijkend van het boek dat ze al die tijd al leest. Er is iets raars aan die vrouw. Ze maakt hem bang. Ze heeft iets van hem dat hij terug wil. Zonder te aarzelen springt de jongen uit het raam. Drie verdiepingen lang suist de wind om zijn oren, en dan komt hij met een koprol op de grond terecht. Nu moet hij voorzichtig zijn. Met kleine stapjes loopt hij naar achter, de vrouw goed in de gaten houdend. Ze kijkt niet op, en hij heeft de muur van het huis achter hem inmiddels al bereikt. Zijn pistool drukt zachtjes tegen zijn been aan. Het geeft hem een veilig gevoel, en eigenlijk kan hij niet wachten om het uit zijn zak te trekken en het ligbed, inclusief vrouw aan flarden te schieten, maar dat is zijn opdracht niet. Het is zijn opdracht om dat wat de vrouw heeft gestolen terug te nemen. Hij kan niet anders, dat is zijn missie. Dan staat ze op, strijkt haar tuinbroek glad en neemt haar groene muts van haar hoofd om haar blonde krullen zachtjes in de wind te laten waaien. Een schok van herkenning schiet door de jongen heen. Het is zijn moeder. Het is zijn moeder, en ze komt hem wakker maken, vertellen dat hij weer naar school moet. Hij wil niet. Hij wil niet naar school. 'Nee! Nee, ik wil niet! Ik wíl niet!' schreeuwt hij, en hij zet verafschuwt een stap achteruit.
'Bill, alsjeblieft, wordt wakker. Alsjeblieft.' Ze huilt, beseft hij plotseling.
Ze huilt. Ik hoor het. Haar stem. Mijn naam, roept ze. Ze.
'Jamie?'
'Bill? Oh Bill. Ik dacht - ik dacht dat jij ook - ik -'
Tranen stromen over haar wangen, ze laat zich naast me op de grond vallen en begraaft haar gezicht in mijn jas. Nogal overdonderd leg ik een arm om haar heen, wat niets anders oplevert dan nog een snik. Ik heb werkelijk géén idee wat ik nu moet doen. Dus ik blijf maar gewoon liggen. Nou, wat je gewoon noemt. Zachtjes gaat mijn hand door Jay's warrige haar, fluister ik dat alles goed is - al weet ik niet helemaal wat alles is, maar zulke dingen zei mijn moeder vroeger ook altijd als ik huilde.
'Nee. Niets is goed. Niets.'
Twee glinsterende helder blauwe staren in de mijne, maken mij ook bijna aan het huilen, sméken me haast om te zeggen dat als niets goed is, dat alles dan wel goed kómt.
'Tuurlijk wel, Jay, tuurlijk wel.'
Ze mompelt iets en legt haar hoofd weer op mijn borst. Stilletjes luister ik naar hoe ze ademt, kijk ik hoe ze met de rug van haar hand in haar ogen wrijft, voel ik hoe mijn T-shirt langzaam nat wordt van haar tranen.
'Oh Bill, ik mis hem zo.'
De grond zakt onder me weg, mijn binnenste lijkt te bevriezen. Hem?
Arme Bill. Dat is niet leuk om te horen, helemaal niet leuk.
Maar Jamie kan er ook niet aan doen, en en en.
Oh god.
Ik vind het zo zielig voor ze allebei.
En dit is ook een geweldig moment om erachter te komen ><
En en en
Oh god.
Nicole, dit is zo mooi, alweer, dat ik er gewoon echt niet veel over te vertellen heb.
Sorry.